Friday, 21 November 2008

Lichaam en ziel één

Bij ons afsterven gaat alle adem uit ons lichaam en worden wij weer tot niets. Wij keren terug tot een toestand zoals in een diepe slaap, of zoals voorheen onze geboorte.
Wij gaan niet rechtstreeks opstijgen in een of andere gedaante. Er bestaat niet een soort tweede ik in ons dat afstand kan doen van het lijfelijke lichaam. Lichaam en ziel zijn één.
 
Ezech. 18:4: „De ziel* die zondigt, díe zal sterven." (*„Ziel", SV, NBG, Lu; „een mens", GNB; „degene", WV.)

„Het begrip ’ziel’ in de zin van een louter geestelijke, onstoffelijke werkelijkheid, afgescheiden van het ’lichaam’, . . . komt niet in de bijbel voor." — La Parole de Dieu (Parijs, 1960), Georges Auzou, hoogleraar in de Heilige Schrift aan het seminarie van Rouen (Frankrijk), blz. 128.

„Hoewel het Hebreeuwse woord nefesj [in de Hebreeuwse Geschriften] herhaaldelijk met ’ziel’ wordt vertaald, zou het onjuist zijn om er een Griekse betekenis in te leggen. Nefesj . . . wordt nooit opgevat als iets dat afgescheiden van het lichaam functioneert. In het Nieuwe Testament wordt het Griekse woord psuche vaak met ’ziel’ vertaald, maar ook hieraan dient niet dadelijk de betekenis gehecht te worden die het woord voor de Griekse filosofen had. Het betekent gewoonlijk ’leven’, of ’levenskracht’, of soms ’de persoon zelf’." — The Encyclopedia Americana (1977), Deel 25, blz. 236.

Hand. 2:34: „David immers [over wie de bijbel zegt dat hij ’een man aangenaam naar Jehovah’s hart’ was] is niet naar de hemelen opgestegen."

Ps. 37:9, 11, 29: „De boosdoeners zelf zullen afgesneden worden, maar wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten. De zachtmoedigen . . . zullen de aarde bezitten, en zij zullen inderdaad hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede. De rechtvaardigen, díe zullen de aarde bezitten, en zij zullen er eeuwig op verblijven."