Friday, 30 January 2009

De hoop op leven

PAULUS is voor de tweede keer gevangen in Rome en verwacht zijn terechtstelling voor Nero. Hij schrijft niet meer, als in zijn brief jaren tevoren tot de Thessalonicenzen, over: "wij, le­venden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ont­slapenen voorgaan". Enkele jaren eer­der had Hij ook voor de keizerlijke rechtbank te Rome gestaan, na een lange reis uit Caesarea. Toen hadden de joden te jeruzalem hem aangeklaagd en de apostel had een beroep gedaan op zijn Romeinse burgerschap. In de brieven die hij toen schreef zag hij uit naar zijn vrijlating.
Maar nu niet meer.
Hij weet nu dat hij voor zijn geloof moet sterven: "Reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur" (2 Timotheus 4:6). En niet alleen hij: in de vervolging van de christenen die overal in het Romeinse rijk is opgelaaid zullen velen hun getuigenis voor Christus met een martelaarsdood moeten beze­gelen. En daarom wil hij er de nadruk op leggen, dat het evangelie, waarvoor hij een gevangene is en straks moet sterven, de verkondiging is van Gods genade, "die nu geopenbaard is door de verschijningvan onze Heiland, Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht heeft gebracht" (1: 10).

Daarom doet hij beroep op Timo­theüs om zonder vrees of schaamte bereid te zijn "voor het evangelie te lijden in de kracht van God" (1 :8). "lijd met de anderen als een goede soldaat van Christus Jezus" (2:3), vermaant hij, en dan in vers 8 herhaalt hij de aanmoediging om te volharden: "Gedenk dat Christus Jezus uit de doden is opgewekt, uit het geslacht van David, naar mijn evangelie, waarvoor ik kwaad lijd" (2 :8). Hij citeert het "woord" waarmede de vervolgde christenen - blijkbaar elkander aanmoedigden om trouw te blijven: "Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met Hem gestorven zijn, zuillen wij ook met Hem leven; indien wij volharden zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen" (2: 11-12).

Verkeerde leer in de gemeente

 Het gevaar dreigt echter niet alleen van buiten. jaren daarvoor had Paulus, in zijn rede tot de oudsten van Efeze ge­waarschuwd voor het binnendringen van verkeerde leer in de gemeenten:
"Uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken" (Hand. 20:30). Nu ziet hij de vervulling van zijn profetie. Nog meer dan wat hij en zijn medegelovigen te verwachten hebben, is Paulus bezorgd over de valse leer die de gemeente al binnensluipt, de "onheilige, holle klan­ken" van Griekse filosofie die de chris­tenleer van de opstanding en de komst van Christus al begint te vergeestelij­ken en ze meer aangenaam te maken voor de Griekse denkwijze. Zijn be­zorgdheid komt duidelijk tot uiting in het dringende beroep dat hij op Timo­theüs doet om voor de waarheid van het evangelie te strijden: "Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Je­zus, die levenden en doden zal oorde­len, met beroep zowel op zijn ver­schijning als op Zijn koningschap: ver­kondig het woord, dring er op aan, ge­legen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. Want er komt een tijd, dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen, maar, omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich tal van leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren" (4: 1-4).
Wat Paulus zelf betreft, was het die dag van de verschijning van de Here Je­zus die hij zelf steeds voor ogen had gehouden in zijn streven voor het evangelie. Nu gaat hij de martelaars­dood tegemoet in het volle vertrou­wen dat de Here hem te dien dage weer op zal wekken en hem de kroon der rechtvaardigheid geven: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het ge­loof behouden; voorts ligt voor mij ge­reed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de recht­vaardige Rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad" (4:7-8).

De dag van Christus' verschijning


 "Te dien dage" zegt hij; en het is die dag van Christus' verschijning en niet zijn tegenwoordige lijden waarop zijn gedachten steeds zijn gericht. "Ik weet, op wie ik mijn vertrouwen heb geves­tigd, en ik ben ervan overtuigd, dat Hij bij machte is hetgeen Hij mij toever­trouwd heeft, te bewaren tot die dag" (1: 12). Niet alleen hij maar ook allen die "Christus' verschijning hebben liefgehad" zullen te die dag de over­winnaarskrans ontvangen. Hij heeft al eerder gesproken over Onesiforus, die hem met veel moeite in zijn gevangenis had opgezocht: "De Here geve hem, dat hij barmhartigheid bij de Here vinde op die dag" (I: 18).
Het valt ons op dat in deze brief, waar zo veel staat geschreven over de hoop op leven, de opstanding, de verschijning en het komende koning­schap van Christus en zijn heiligen, helemaal niets wordt gezegd over een leven van de ziel in de hemel. Paulus spreekt inderdaad over het "hemelse koninkrijk" in 4: 18, maar de rest van de brief maakt volkomen duidelijk dat hij aan Christus' hemels koninkrijk op aarde denkt. Dit wordt ook bevestigd door zijn woorden in de brief aan de Filippenzen: "Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt" (3 :20-21).

Hoop op de opstanding

Het idee van de onsterfelijke ziel is trouwens nergens in de brieven van Paulus, noch in de gehele Bijbel, te vin­den. Het vindt zijn oorsprong in Griek­se filosofie, en wij zien in 1 Corinthiërs 15: 12 hoe Paulus van het begin af de invloed van deze filosofische opvattin­gen op de christenleer van de opstan­ding moest bestrijden. Wij vinden er weer melding van in deze brief aan Timotheüs. Hier schrijft Paulus over mannen "die uit het spoor der waar­heid geraakt zijn met hun bewering, dat de opstanding reeds heeft plaats gehad, waardoor zij het geloof van sommigen afbreken" (2: 18). Voor hen was de opstanding van het lichaam te materialistisch; zij geloofden in de goddelijke "ziel" die het stoffelijke lichaam overleefde en hadden geen plaats voor een lichamelijke opstan­ding. De opstanding, zeiden ze, was de wedergeboorte van een mens toen hij christen werd en "heeft reeds plaats gehad".
Vele jaren daarvoor bestreed Pau­lus deze leer in zijn brieven aan de Co­rinthiërs. Onder invloed van begrippen die kenmerkend waren voor de Griek­se denkwereld, waren er leden die de hoop op de opstanding van het lichaam verwierpen. Ze waren blijkbaar bereid om te accepteren dat Christus uit de doden opgewekt was, wellicht om te demonstreren dat Hij na zijn kruisdood levend geworden was. Paulus' ant­woord daarop was dat als er geen opstanding is, dan is er geen hoop op leven na de dood. In plaats van een uitzondering te zijn is Christus de eersteling van hen die ontslapen zijn. Bij zijn komst zullen ook zijn trouwe volgelingen opgewekt worden tot eeuwig leven (1 Corinthiërs 15: 12-23).
"Hun woord zal voortwoekeren als de kanker" voorspelt Paulus (2: 11), en zo is het gebeurd. Het heidense idee van een onsterfelijke ziel heeft voortgewoekerd in het christendom zodat de hoop van naar de hemel gaan voor velen de plaats heeft ingenomen van de hoop op de opstanding bij Christus' komst. De opstanding was de hoop die Paulus predikte: "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn ... Christus als eersteling, volgens die van Christus zijn bij zijn komst" (I Corinthiërs 15:20 verg.1Thessalonicenzen 4: 13-11;Johannes 11 :23-­26; 5: 28, 29). "Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden" (Mattheus 16:26).
Paulus heeft, in deze brief voor zijn dood, gesproken over "zware tijden" die in de laatste dagen zullen komen: "want de mensen zullen zelfzuchtig zijn ... met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van gods­vrucht de kracht daarvan verloochend hebben" (3: 1-5). Des te dringender dus zijn vermaning om bij de leer van de apostelen te blijven en de Schrift voortdurend te bestuderen: "Blijf gij echter bij wat u geleerd en toever­trouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus" (2 Timotheus 3: 14).

 - Met de Bijbel in de hand