Saturday, 24 January 2009

Het scheuren van het voorhangsel

"En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden. "

MARCUS vertelt ons in de proloog van zijn evangelie wat Jezus (en wellicht ook johannes de Doper) direct na zijn doop had gezien. "En terstond, toen Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemelen scheuren en de Geest als een duif op Zich nederdalen" (1: 10). Om dit ontzagwekkende verschijnsel,
blijkbaar van een ga­ping in het hemelge­welf, te beschrijven, gebruikt de evangelist een sterk woord, dat elders wordt gebruikt voor het scheuren van een kledingstuk of een vissersnet. Mar­cus' verhaal van Jezus' leven van dienstbaar­heid onder zijn volk, dat met dit fenomeen is begonnen, eindigt met een tweede scheuring: "En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden" (15:38). De beide verschijnselen heb­ben veel met elkaar te maken.

De profeet Jesaja zag terug naar de uittocht van Israël uit Egypte met be­wondering en heimwee. Hij wist wat Mozes gezegd had over die onvergete­lijke dag toen de engel op de berg Simil" van de Here neerdaalde en de Tien Geboden aankondigde, terwijl het volk op de vlakte daarvoor stond te luiste­ren. "Heeft ooit een volk een goddelij­ke stem gehoord, sprekende uit het midden van het vuur, zoals gij die ge­hoord hebt, en het leven behouden? Of heeft ooit een god beproefd te ko­men om zich een volk te nemen uit het midden van een ander volk, door be­proevingen, door tekenen, door won­deren en strijd, met een sterke hand en een uitgestrekte arm en grote ver­schrikkingen, zoals de HERE, uw God, om uwentwil dit alles voor uw ogen gedaan heeft?" (Deuteronomium. 4:33).

Hoe belovend was die roeping en hoe bedroevend dan dat het verbondsvolk, zo vele eeuwen later, zozeer afvallig en on­trouw is geworden dat het voor de twee­de keer in een toe­stand van slavernij, in Babel, raakte. De profeet verlangt dat de dikke sluier tussen hemel en aarde weer zal worden ge­scheurd, met een nieuwe verschijning van Gods heerlijkheid en een tweede indrukwekkende bevrijding. Hij geeft uiting aan zijn verlangen met de smeek­bede: "Scheur toch de hemel open. Ja, daal toch op aarde neer: de bergen zouden ervan schudden!" (Jesaja 64: 1-2).

Goed op de keper beschouwd geeft Marcus aan het begin van zijn evangelie de vervulling van Jesaja's gebed te ken­nen. Weliswaar ontbraken de huive­ringwekkende verschijnselen van aardbeving, vuur, rook met bazuingeschal. De stem die uit de hemel sprak heb­ben alleen jezus en johannes gehoord (Johannes 1 :32-34). Maar het schenken van de kracht van de heilige Geest aan Gods Zoon doorbrak de dikke sluier tussen hemel en aarde en verschafte Hem de nodige toerusting om op te treden onder zijn volk als Profeet en Geneesheer, machtig in werk en woord, en zijn verlossingstaak te vol­brengen.

Het scheuren van het voorhangsel God liet zijn Zoon niet sterven zonder het meelevende getuigenis van de natuur: drie uur duisternis en een aard­beving. Het scheuren, juist op het moment dat jezus stierf, van het dikke gordijn, dat voor het allerheiligste, innerlijkste vertrek van de tempel hing, was ook niet toevallig, maar is gebeurd met symbolische betekenis. Wat voor betekenis zou dit zijn? Sommigen denk­en aan het wegnemen van de scheiding tussen joden en heidenen. Anderen om aan te geven dat met jezus' offerdood het heiligdom en de priesterdienst hun functies hadden verloren.

In deze allerheiligste plaats in de tabernakel en tempel stond vroeger de ark des verbonds met daarbovenop cherubfiguren. Men beschouwde dit als de ontoegankelijke troon op aarde van Israëls onzichtbare Koning in de hemel. De schrijver van Psalm 80 spreekt God immers toe als: "Gij, die op de cherubs troont" (Psalm 80:2). Hoe zou een zondig mens daarvoor ooit kunnen verschij­nen? Daarom mochten zelfs de pries­ters tot Gods troon in het allerheiligste niet naderen. Alleen één keer in het jaar, op de grote Verzoendag, mocht de hogepriester met stipte inachtne­ming van het voorgeschreven ritueel om hem te beschermen, achter het voorhangsel gaan. Op deze wijze, zoals de schrijver van de brief aan de He­breeën opmerkt, "gaf de Heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heilig­dom nog niet open lag, zolang de eer­ste tent nog bestond. Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd" (Hebr. 9:8-9)

Als het verboden was zelfs Gods symbolische troon op aarde toe te naderen, kon er geen sprake van zijn dat iemand voor Gods troon in de hemel zou verschijnen. Voor Petrus en zijn toehoorders op de Pinksterdag was het dus vanzelfsprekend dat David "niet is opgevaren naar de hemel" (Hand. 2:34). jezus zei tegen Nicode­mus: "Niemand is opgevaren naar de hemel" (Johannes 3: 13).
Toch had Nicodemus, als leraar in Israël en tevens een kenner van de Schrift, moeten weten wat Daniël in een nachtgezicht had gezien. Een Mens werd van de aarde naar Gods troon geleid om regeringsmacht te ontvang­en, een profetie die in vervulling ging met Christus' hemelvaart en verhoging.
Dit was de realiteit waarvan de Verzoendag een afschaduwing was. "Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goe­de, voor het aangezicht Gods te ver­schijnen" (Hebreeën 9:24). En omdat Christus daar is, mag ook zijn volk langs een nieuwe weg toetreden (10: 19 e.v.). •

 - Met de Bijbel in de hand