Wednesday, 7 October 2009

Deuteronomium en profetenboeken

Volgens Van der Toorn in zijn boek Wie schreef de Bijbel? werd er van het boek Deuteronomium in de tempel een ‘moederafschrift’ bewaard.
Dat exemplaar diende als voorbeeld voor afschriften die elders gebruikt konden worden. Na ongeveer veertig jaar was dat ‘moederafschrift’ versleten en moest er een nieuw exemplaar worden gemaakt. Bij die gelegenheid kon de tekst worden geactualiseerd. Op gezag van de hogepriesters konden dan noodzakelijke toelichtingen of nieuwe inzichten worden toegevoegd. Van der Toorn ziet aanwijzingen voor vier opeenvolgende edities.

De profetenboeken zouden hun oorsprong hebben in verzamelingen met losse profetische uitspraken die in de tempel bewaard werden. Aanvankelijk ging het om de vastlegging van mondeling gegeven orakels, later zouden profeten hun boodschap vooral schriftelijk hebben doorgegeven door toevoegingen aan het bestaande materiaal. Dat hangt samen met een door Van der Toorn veronderstelde omslag in hoe men tegen openbaring aankeek. Vroeger ging het om direct contact tussen God en mensen die op een of andere wijze iets van Hem doorkregen en dat doorvertelden.

Vanaf de zevende eeuw voor onze jaartelling kwam steeds meer de nadruk te liggen op het geschreven woord. Alleen het vastgelegde woord, afkomstig van een schrijver met autoriteit, had nog gezag. Dat maakte de schrijvers als beheerders, en in veel gevallen ook uitvinders, van die schriftelijke tradities tot belangrijke mensen. Hier ligt de oorsprong van het idee van de Bijbel als heilig boek.
Van der Toorn neemt nadrukkelijk afstand van de traditionele protestantse opvatting dat de Bijbel zichzelf bewijst als goddelijke openbaring. Hij stelt ontnuchterend vast dat het een constructie van de schrijvende elite was die daarmee zichzelf aanstelde als beheerder van het religieuze erfgoed en paal en perk stelde aan openbaring als een levende bron.

Lees meer > Is de Bijbel geïnspireerd of vooral gemanipuleerd?